Ineens loopt hij daar. Dapper trippelen zijn korte zwarte pootjes in hoog tempo naast mijn fiets. Ik verkies geen aandacht aan hem te besteden. Hij komt me gewoon niet uit.

Gebogen over mijn stuur vecht ik driftig tegen de gure herfstwind langs het eindeloze kanaal. De kalende bomen rechts van het fietspad bieden geen beschutting. Links zie ik witte kopjes op de golven van het water.

Hij blijft meelopen. Zo nu en dan kijkt hij even omhoog, met een blik vol trouwhartigheid.

Mijn handen knijpen resoluut in de remmen. Ik zet mijn voeten aan weerszijden van mijn fiets op de grond. Zodra ik stop, gaat het hondje keurig zitten. Berustend werpt hij me een blik toe en kijkt daarna voor zich uit, alsof hij op een stoplicht wacht dat op groen moet springen.

Ik draai nijdig mijn fiets en wijs bevelend met mijn arm in de richting van de twee huizen die ik net gepasseerd ben.

“Schiet op, naar huis jij!” Een ogenblik legt het zwarte hondje zijn oren in zijn nek, maar hij verroert zich niet. Ik stap weer op en rijd een eindje terug. Het hondje volgt. Ik baal, ik wil door. De andere kant op. Maar in één van die huizen hoort hij ongetwijfeld thuis.

Bij het eerste pand puilt de brievenbus uit. Het lijkt zinloos hier aan te bellen. Het tweede huis ziet er bewoond uit. De gordijnen zijn dicht en blijven dat, ook nadat ik mijn vinger langdurig op het witte knopje gehouden heb. Geen leven te bekennen.

Ik kijk beschuldigend naar het hondje dat geduldig naast mijn fiets zit te wachten.

“Dat heb ik weer! Wat moet ik nou met jou?!”

Ik besluit op te stappen. Gewoon door te rijden. Hij zal vanzelf wel een keer afhaken en teruggaan naar waar hij thuishoort.

…Hè, verdorie, verdorie, ik was gaan fietsen om mijn hoofd leeg te laten waaien, zodat ik weer na zou kunnen denken. Om knopen door te hakken zelfs. Eigenlijk was ik opgestapt om weg te gaan en door te fietsen en nooit meer terug te komen!

Naast mij loopt het hondje weer. Zijn tong hangt uit zijn bek. Zo nu en dan kijkt hij me vluchtig aan met zijn donkere ogen. Zeehondenogen. Net zulke ogen als het hondje, dat wij samen eens hebben gehad. Wij…, hij die me zo razend heeft gemaakt en ik.

Het hondje besluit wat te drinken uit het kanaal. Ik pas mijn tempo als vanzelfsprekend aan.

“Sufferd”, scheld ik mezelf hardop uit, “nu had je door kunnen fietsen!”

Ik kijk over mijn schouder. In het volste vertrouwen dat ik wel zou wachten, tilt hij rustig zijn poot op bij een graspol in het gescheurde asfalt.

Even verderop sla ik in een opwelling rechtsaf. Weg van dat droefgeestige lijnrechte kanaal. Ik recht mijn rug nu ik niet meer pal tegen de wind in hoef en kijk naar mijn kleine metgezel.

“Jij bent een volhoudertje, hè?” Hij kwispelt met zijn pluimstaart en ik glimlach. “Nou ben ik verdikkie niet boos meer!”

Het fietspad maakt een grote lus en loopt een tijdje parallel aan het kanaal. Ik kan in de verte de bomenrij zien die de waterweg flankeert. Ik knoop mijn jas wat los; met de wind in de rug is het bijna aangenaam.

Ver voor mij uit ontwaar ik een kleumende vrouwengedaante bij een van de kanaalhuizen. Daar waar het fietspad weer samenkomt met het water en de weg naar mijn huis.

Dichterbij gekomen zie ik de krukken, waar de vrouw moeizaam op leunt.

“Dat dacht ik wel! Hij houdt zo van fietsen, hè. Nou ja, er naast dan… Ik kan niet meer…”

Ze maakt een hoofdgebaar naar beneden, naar haar benen, waarvan de rechter een beetje scheef onder haar lichaam staat.

“Ik heb de bel wel gehoord, maar…” Weer dat hoofdgebaar. Hoopvol vraagt ze: “Fietst u dit rondje wel vaker?”

“Ja”, antwoord ik en kijk even met een samenzweerderige blik in de ogen van mijn nieuwe fietsmaatje.

“Ik woon niet ver van hier en daar blijf ik nog wel even.”

©Cora Westerink | Gepubliceerd in: Fietsend en wel   Uitgeverij Kontrast Oosterbeek